Kleine Rituelen - Dag 22

In de achtste eeuw voor Christus werd er een dam aangelegd bij de Beth Zeta-vallei, vlak bij de stad Jeruzalem. Het water werd richting Jeruzalem geleid en er ontstond een groot bad voor de inwonenden. Zes eeuwen daarna werd er een extra acht tot dertien meter diep reservoir bij uitgehouwen en met het oorspronkelijke reservoir verbonden. De grote waterbaden werden Betzata genoemd. De bassins omvatte samen zo’n 5000 kubieke meter inhoud. Betzata betekent ‘plaats van genade’ omdat het water werd gebruikt om schapen mee gewassen, die vervolgens in de tempel van Jeruzalem werden geofferd om de genade van God af te smeken. Ook werd het bad door veel Joden gebruikt voor rituele wassingen.

 

Eens in de zoveel tijd borrelde het water op in het bad. Sommigen zeiden dat dat kwam door het water dat via het aquaduct het bad instroomde. Anderen zeiden dat het een engel was, die het water aanraakte en het geneeskrachtig maakte. Het was een bad met een bijzondere klank. Niet verwonderlijk misschien dat, nadat de Romeinse Koning Herodes 8,5 meter hoge zuilengangen om het bad heen had gebouwd, het er vol lag met zieken, die hoopten te genezen door het bewegende water, waarvan met dacht dat het geneeskrachtige werking had.

 

Toen Jezus eens bij het Betzata-bad was, zag hij een man in een van de zuilengangen liggen. De man was al achtendertig jaar ziek en kon niet lopen. ‘Wil je gezond worden?’ vroeg Jezus aan de man. ‘Natuurlijk,’ sprak de zieke, ‘maar het water is alleen geneeskrachtig als het beweegt en ik ben telkens te laat omdat ik zo ziek ben en nooit op tijd bij het water kan zijn.’ “Ach, het maakt niet uit of het water beweegt of niet,’ zei Jezus ‘ik zeg je, je ben vanaf dit moment gezond als je je kleedje oppakt en wegloopt uit deze ziekenboeg.’ En zo gebeurde het. De man stond op, pakte zijn kleed en liep weg. Alsof hij nooit ziek was geweest.

 

Dit gebeurde allemaal op een zaterdag, wat een officiële religieuze rustdag is voor de Joden. Dus, toen enkele Joodse mannen de man zijn kleed zagen dragen zeiden ze: ‘Een kleed dragen op een zaterdag, wordt door het Joodse geloof gezien als werk, dat mag niet volgends de regels!’ Maar de man zei: ‘Rustig, iemand heeft mij net genezen en die persoon zei dat ik daarvoor mijn kleed op moest pakken en moest gaan lopen. Ik ben blij dat ik ik ben gaan lopen met het kleed, ik ben nu genezen!’ Toen de Joodse mannen hoorden dat iemand de man tot een wetsovertreding had aangezet wilden ze graag de naam van de genezer weten. Maar de man, met het kleed nog steeds stevig onder zijn arm geklemd, wist het niet. Want Jezus had zijn naam niet verteld. Wijs hem dan eens aan, vroegen ze hem. Maar ook dat lukte de man niet, omdat Jezus niet meer in de buurt was doordat inmiddels een grote groep mensen zich om hen heen had verzameld.

 

Later kwamen Jezus en de man elkaar tegen in de tempel. ‘Je bent weer gezond zie ik,’ zei Jezus, waarna hij meteen raadselachtig sprak: ‘doe vanaf nu geen domme of slechte dingen meer, anders kan je nog wel iets ergers overkomen dan de ziekte waar je aan leed!’ De man beloofd plechtig een goed en eerlijk leven te leiden. En natuurlijk vroeg hij ook naar de naam van zijn weldoener: Jezus. Omdat de man had beloofd om de naam te geven aan de Joodse mannen, zodra hij die zou weten, ging hij meteen na zijn ontmoeting met Jezus terug om hen te vertellen dat het Jezus was geweest die hem genezen had.

Deze hervertelling is geschreven door Mattias Rouw.

Meer weten over Kleine Rituelen

We vertellen je meer over het boek Kleine Rituelen –> hier.